Leven met shikai

Leven met shikai: gegeneraliseerd angst stoornis en kendo

Courtesy of Abigail Bullock

Met dank aan Abigail Bullock

 

Het behoud van heijoshin (een kalme, evenwichtige geest) is één van de hogere doelen in kendo.

Heijoshin weerspiegelt een kalme geestesgesteldheid ondanks verontrustende gebeurtenissen om je heen. [Het] is een gemoedstoestand waar men naar moet streven, in contrast met de shikai, de vier te vermijden toestanden:

  1. Kyo: verbazing
  2. Ku: angst
  3. Gi: twijfel
  4. Waku: verwarring

(Buyens, 2012)

In de volgende pagina’s wil ik de lezer graag introduceren tot het concept van de gegeneraliseerde angststoornis, hierna aangeduid als “GAS”. Voor mensen die lijden aan GAS is elke dag gevuld met twee van deze shikai: angst en twijfel. Hoewel ik maar een leek ben, hoop ik dat mijn persoonlijke ervaringen van hulp kunnen zijn voor andere kendoka met het zelfde probleem. Ik zal beginnen met een korte uitleg van de medische achtergrond van GAS, gevolgd door mijn persoonlijke ervaringen. Het artikel wordt afgesloten met suggesties aan leraren en leerlingen in de dojo.

 

Angststoornissen: definitie en behandeling

Wij zijn allen bekend met de verschijnselen spanning en angst omdat zij normale functies zijn van het menselijk lichaam. Je schrikt van een hard geluid, je springt weg van een bijtende hond en je voelt de druk die je tegenstander uitvoert in shiai. Dit soort dingen bereiden je lichaam voor op wat de “vecht of vlucht” reactie heet: of je rent voor je leven, of je verzet je met hand en tand. Deze instincten worden echter problematisch wanneer zij zonder redelijke stimulus optreden. De beroemdste soorten van dit soort angsten zijn fobieën: de angst voor specifieke objecten of situaties, waar schijnbaar ~25% van de volwassen Amerikanen last van hebben. (Rowney, Hermida, Malone, 2012)

Andere soorten angststoornissen zijn bijvoorbeeld:

  • Acute Stress Stoornis
  • Agorafobie
  • Gegeneraliseerde Angst Stoornis [GAS]
  • Obsessieve-Compulsieve Stoornis [OCS]
  • Paniek Stoornis
  • Post-traumatisch Stress Syndroom [PTSS]

Dit artikel behandelt die stoornis waar ik zelf ervaring mee heb, de gegeneraliseerde angst stoornis.

Misschien is het gemakkelijk om GAS met een analogie te beschrijven: GAS verhoudt zich tot zorgen, zoals een depressie zich verhoudt tot neerslachtigheid. Net zoals een depressief persoon zich “er niet eventjes overheen zet”, zo leeft een persoon met GAS met onaflatende zorgen. Striptekenaar Mike Krahulik beschreef het eens als volgt:

“De bijsluiter van mijn nieuwe medicijnen zegt dat het duizeligheid kan veroorzaken. […] Ik heb daar de hele middag geobsedeerd aan gedacht: ik rijd vandaag zelf naar kantoor, kan ik nog wel naar huis rijden? Wat als ik dat niet kan? Hoe weet ik of ik het niet kan? Moet ik een dokter bellen als ik duizelig wordt? Hoe duizelig is te duizelig? Wat als de dokter er niet is? Moet ik naar het ziekenhuis? Moet ik iemand om een lift vragen? Ik kan m’n auto niet de hele nacht hier laten! De parkeergarage sluit om zes uur, wat moet ik dan met mijn auto? Wat als Kara me niet kan ophalen? Moet ik Kiko om een rit vragen? Als ik duizelig wordt, betekent dat dan dat het medicijn werkt? Of betekent het dat het niet werkt? Wat als mijn medicijn niet werkt?” (Krahulik, 2008)

Als ik parafraseer uit DSM-IV-TR (voetnoot 1) en uit Rowney, Hermida, Malone,  dan zijn de criteria voor GAS dat iemand langer dan zes maanden, meer dan 50% van de tijd moeite heeft om zijn zorgen te beheersen en daarbij angstig is voor verschillende evenementen. Deze zorgen moeten niet aanwijsbaar gebonden zijn aan een specifieke angst of fobie en moeten niet voortkomen uit middelenmisbruik. De persoon vertoont minstens drie van de volgende symptomen: rusteloosheid, vermoeidheid, concentratieproblemen, prikkelbaarheid, spierspanning en een verstoord slaapritme.

De symptomen verschillen per persoon, evenals de hevigheid van de ervaren episodes. Zware GAS episodes kunnen leiden tot een paniekaanval, wat je kan beschrijven als tien minuten super-angst. Effecten van een paniek aanval zijn onder andere hartkloppingen, koud zweet, spasmen en kramp, duizeligheid, verwarring, agressiviteit en hyperventilatie. Vanwege deze effecten kunnen mensen met een paniekaanval denken dat ze een hartaanval hebben, of dat ze gewoonweg compleet gek worden.

Een belangrijk element van GAS is het sneeuwbal effect. Zoals mijn therapie werkboek het beschrijft (Boeijen, 2007): een gevoel van angst leidt tot fysieke en mentale uitdrukkingen, die op hun beurt leiden tot angstgedachten. Mensen met GAS zijn vaak bang voor de gevolgen van een angstaanval, zoals flauw vallen of overgeven. Deze angstgedachten leiden tot vernieuwde angst die de ervaren gevolgen weer zullen versterken. En zo voorts. Zo kan zelfs de kleinste twijfel een angstaanval uitlokken. Wat begint met “Dat broodje haring smaakte wat vreemd” kan eindigen met “Oh God ik heb een hartaanval!“. Als je vindt dat dit maar onlogisch klinkt, dan heb je helemaal gelijk! Het sneeuwbal effect voedt zich met aannames, zorgen en twijfels die zich bollen tot een chaotische kluwen. Later volgt nog een voorbeeld.

Behandeling van GAS gebeurt op verschillende manieren, vaak gecombineerd:

  • Medische behandeling van reeds bestaande fysieke of mentale problemen.
  • Medicinale behandeling van de angst met bijvoorbeeld Prozac, Zoloft, Valium of Ativan.
  • Psychotherapie.
  • Ondersteuning vanuit de familie en vriendenkring.

Alle geraadpleegde bronnen zijn het eens dat het krijgen van steun van familie en vrienden onmisbaar is voor mensen die lijden aan een angststoornis. Alleen al het feit dat je weet dat er mensen zijn die begrijpen wat je doormaakt geeft de patiënt een stuk houvast. Weten dat deze mensen je zullen vangen als je valt is een steun in de rug. Iemand die jouw onlogische gedachten en twijfels ontward is van onschatbare waarde.

 

Mijn persoonlijke ervaringen met GAS

Ik heb het geluk dat ik lijd aan maar een lichte vorm van GAS. In mijn hele leven heb ik minder dan twintig echte paniekaanvallen gehad. Waar anderen elke dag, de hele dag in angst leven komt het bij mij alleen in bepaalde situaties naar boven. Voorheen is de diagnose nooit officieel gesteld, maar achteraf beschouwd loop ik al sinds mijn jonge kinderjaren met GAS rond. Toentertijd werden de verschillende symptomen toegedicht aan “schoolziekte”, aan prikkelbare darm syndroom en aan werk-gerelateerde stress. Het was pas tijdens een vakantie in Engeland, in 2010, dat ik door kreeg dat er iets veel groters aan de hand was toen ik een reusachtige paniekaanval kreeg. Ik was enorm geïrriteerd, kon geen samenhangende gedachten meer vormen en twistziek en agressief. Mijn conclusie op dat moment was dat “ik word gek, dat moet’t zijn! Ik heb een pil nodig om dit nu meteen weg te halen!” Vreemd genoeg schoof ik dat alles bij thuiskomst weer weg en besloot ik pas na een tweede paniekaanval om met een professional te gaan praten.

Deze tweede aanval verliep als volgt:

  • 13:10: Ik stap het kantoor uit om naar een winkel te gaan, in een deel van de stad dat ik niet ken.
  • 13:11: “Hoe zou het met m’n dochter’s buikgriep gaan? Ze was zo naar ziek vanochtend.
  • 13:12: Mijn buik rommelt zeer merkbaar.
  • 13:13: “Man, het zou rot zijn als ik ook buikgriep zou krijgen.
  • 13:15: “Wacht, wat als ik het nu al heb? Ik wil niet kotsend over straat!
  • 13:20: “Stik! Die winkel is verder dan ik dacht! Het zou net om de hoek zijn!
  • 13:21: Ik word misselijk en voel me wat bevreesd.
  • 13:22: “Misschien moet ik maar terug gaan, ik geloof dat ik in paniek raak. Nee! Ik moet dit overwinnen!
  • 13:25: Ik bereik de winkel en wacht op mijn bestelling.
  • 13:27: Mijn paniek wordt erger naar mate ik wacht en ik krijg sterke buikkrampen.
  • 13:28: Ik mag niet naar het toilet van de winkel. Ik begin te hyperventileren en hurk op de grond.
  • 13:30: Ik betaal en verlaat de winkel. Het dichtslaan van de deur neemt een last van mijn schouders.
  • 13:33: Ik voel me opgelucht, maar heb nog steeds hevige krampen.
  • 13:50: Ik kom uitgeput en rillerig aan op kantoor. De paniekaanval is over.

(Sluyter, 2011)

Dit illustreert het eerder genoemde sneeuwbal effect: een onschadelijke gedachte (“Hoe zou het met m’n dochter zijn?“) leidt me tot twijfels dat ik zelf ook ziek ben, waardoor ik twijfel over mijn reis door de stad, waardoor ik buikkramp krijg, waardoor ik echt denk dat ik ziek ben, waardoor ik misselijk en duizelig wordt, en zo voorts. Zorgen uitten zich, wat angst schept, wat de eerdere zorgen versterkt. Al met al had mijn huisarts niet lang nodig om me naar een therapeut te verwijzen, voor Cognitieve Gedragstherapy, of “CGT”.

CGT is één van de mogelijke therapieën die van toepassing is op angststoornissen en wordt vaak aangemerkt als de meest effectieve. Er wordt gezegd (Rowney, Hermida, Malone, 2012) dat CGT “een respons behaalt bij 78% van de patiënten die zich toeleggen op 12 tot 15 weken therapie“. Zoals ik het zelf heb begrepen ligt de kracht van CGT in verzelfstandiging: de patiënt wordt opgeleid over zijn stoornis en leert zodoende er mee om te gaan. Men leert symptomen en patronen te herkennen en ook hoe daar mee om gegaan kan worden. Men krijgt hulpmiddelen en handreikingen om episodes te voorkomen, of om te ontspannen tijdens een aanval. CGT berust ook op het principe van ‘exposure’, ‘blootstelling’, waar men continu wordt uitgedaagd om over de eigen grenzen heen te stappen. Dergelijke oefeningen versterken de gevoelens van eigenwaarde en zelfvertrouwen. De wereld wordt een stuk groter dan je eerder zelf toestond.

Het ontkrachten van panische gedachten is de beste manier om de sneeuwbal af te breken. Ze beginnen doorgaans erg klein, waarna ze steeds onredelijker en onzinniger worden. Door elke gedachte direct aan te pakken en logisch af te handelen behoud ik controle. Het is daarbij erg handig om te spiegelen aan een tweede persoon, die als objectieve partij vragen kan beantwoorden. In dat opzicht zijn mijn vrouw en mijn vrienden onmisbaar geworden. Zij helpen mij de onzin uit m’n hoofd te praten.

A. Bullock

Met dank aan Abigail Bullock

Ik ben in januari van 2011 begonnen met kendo, een half jaar voordat ik met CGT begon. Ik de week voor mijn eerste les verslond ik online informatie, zodat ik maar geen flater zou slaan. Op voorhand had ik al aannames gemaakt over de dojo: als de ‘newbie’ zou ik constant in de gaten worden gehouden en ik vreesde dat elke misstap het moeilijker zou maken om uiteindelijk in de groep te integreren. Ik las dus hoe een les normaal verloopt, ik las over etiquette, ik leerde basistermen en ik deed zelfs mijn best een paar Japanse dankwoorden te leren om sensei te bedanken voor de gastvrijheid. Voordat ik nog maar één les had genomen zat mijn hoofd al vol met aannames en zorgen over kendo.

Ik doe nu [voorjaar 2013] iets langer dan twee jaar aan kendo en ik heb het ervaren als een grote hulp in het overwinnen van mijn angststoornis.

  1. Ik ervaar kendo als een fysiek zware activiteit. Telkens wanneer ik mijn grenzen opzoek wordt ik gedwongen om mijn eigen mogelijkheden te heroverwegen.
  2. De discipline in de dojo is als een stevige muur die me rechtop houdt en in de les is er een gevoel van kameraadschap. Mijn sempai en sensei laten me niet zomaar zakken en ik heb een verantwoordelijkheid naar hen toe om door te zetten.
  3. Het vele lezen en leren dat ik doe ter ondersteuning van mijn leergang geeft me het vertrouwen dat ik ooit ook door kan groeien naar een sempai rol.
  4. In kendo streeft men naar kigurai. Geoff Salmon-sensei schreef ooit: “kigurai  kan zelfvertrouwen betekenen, gratie en de mogelijkheid je tegenstander de baas te zijn door de kracht van je karakter. Kigurai kan ook worden gezien als onbevreesdheid of een enorme hoeveelheid interne energie. Wat het niet is, is overdrijven, jezelf schouderklopjes geven en in het voetlicht willen staan“. (Salmon, 2009) Kigurai is een versterkende eigenschap!
  5. Kendo grijpt me bij me kladden en laat me niet los. Als de training begint heb ik geen tijd meer om na te denken over wat er zich buiten de dojo afspeelt. Zoals één sempai ooit zei: “Op toernooien vreet ik mezelf helemaal op tot aan de rand van de shiaijo, maar als de shiai begint ben ik helemaal in-the-zone.

In de dojo vergeet ik misschien wel wat er in de buitenwereld gebeurt, maar ook tijdens les zijn er genoeg dingen waar angsten door kunnen ontstaan. Zo kan ik na een zware training misselijk en lichthoofdig worden, wat heel normaal is. Helaas kan het bij mij leiden tot de vrees dat ik flauw ga vallen, of ga hyperventileren, of dat ik met m’n men nog op boven de prullenbak moet hangen. Op zijn beurt leidt dat weer tot de gedachte “Wat zouden mijn sempai daar van denken?!“. Ik heb me ook zorgen gemaakt over sensei’s verwachtingen over mijn inzet en mijn deelname aan toernooien (“Wat als ik niet mee kan doen? Wat zou hij daar van vinden? Zal hij me verwijten? Zal hij een prutser vinden?“).

Ik voelde me zelfs angstig over het trainen in de hoofd-dojo van onze vereniging, puur omdat het niveau daar zo veel hoger ligt dan het mijne. Ik had het gevoel ze maar tot last te zijn met mijn slechte kendo en dat ik me als een idioot zou gedragen. Uiteindelijk was het een kwestie van ‘exposure’: door aan een Centrale Training deel te nemen en te sparren met een zevende dan-er leerde ik dat een groot verschil in vaardigheid niet iets is om je voor te schamen. Plotseling voelde ik mij als een gelijke met mijn sempai, niet als kendoka maar als mens.

Een ander mooi voorbeeld van ‘exposure’ was een truc die sensei (die van mijn GAS afweet) met me uithaalde. Hij had al gauw door dat ik soms wel erg vroeg uit de rij stapte omdat ik nerveus werd. Dus wat deed hij? We begonnen de les met mawari geiko (de hele groep roteert om steeds van partner te wisselen) en vlak voordat ik naar de kakarite kant zou oversteken zet hij de rotatie op slot. Ik moest aan de motodachi kant blijven staan, waardoor ik plots een extra verantwoordelijkheid kreeg: als ik nu zou stoppen, kon een hele groep kakarite niet meer oefenen. Aan de ene kant was ik al nerveus van de vermoeidheid, maar aan de andere kant wilde ik mezelf niet toestaan om nu te stoppen. Sensei’s trucje werkte.

In de dojo gebruik ik regelmatig twee hulpmiddelen die ik bij CGT heb geleerd (Boeijen, 2007):

  • Ademhalingsoefeningen. Ze stellen me in staat even op adem te komen en ze dwingen mij om mijn gedachten op iets anders te richten. Je ademt in voor vier tellen, houdt het voor twee tellen vast en ademt dan voor vijf tellen uit. Houdt het weer voor twee tellen vast en herhaal het patroon daarna weer. Deze oefening wordt vaak ingezet bij hyperventilatie. Verschillende bronnen, waar onder Paul Budden (Budden, 2007) suggereren dat men het beste kan ademen door de neus in plaats van de mond om zo te voorkomen dat er te veel of te snel wordt geademd.
  • Ontspanningsoefeningen. Ik speur mijn lichaam van top tot teen af, op zoek naar gespannen spieren. Achtereenvolgend worden er verschillende spieren drie keer, kort heel strak aangespannen en weer los gelaten. Je begint met het gezicht, gevolgd door nek, de linker arm, de rechter arm, het bovenlijf, de billen, het linker been en het rechter been. Wanneer je met een stel spieren verder gaat moeten alle voorgaande spieren ontspannen blijven en uiteindelijk heb je zo een ontspannen lichaam. Deze oefening kan het beste op een stoel (of een bank op de zijlijn) worden gedaan.

 

GAS in de dojo, voor leraren en sempai

Word je ooit door een leerling benaderd over zijn angststoornis, neem hem/haar dan alsjeblieft serieus. We hebben allemaal angsten en twijfels, maar een stoornis is toch andere koek. Men zal niet van je verwachten dat je voor therapeut speelt of dat je hulpgever wordt; het enige dat ze nodig hebben is je steun. Als ze weten dat je voor ze klaar staat is dat een enorme hulp!

In vol. #5.2 van “Kendo World” besprak Ben Sheppard in zijn artikel “Teaching kendo to children” (Sheppard, 2010) het concept van “zorgplicht”. Hoewel het artikel gaat om de wettelijke verplichtingen jegens minderjarigen in specifieke landen, kan het algemene concept worden toegepats op elke leerling die speciale zorg vereist. Het is raadzaam om een overzicht te hebben van deze leerlingen, met relevante medische informatie en contactgegevens. Dit is geenszins een medisch dossier, maar eerder een lijst van bekende risico’s en korte instructies. Zo weten de leraren en begeleiders hoe er gehandeld moet worden als een leerling in de problemen zit (denk ook aan epilepsie, diabetes, e.d.).

Wees je alsjeblieft bewust dat je jouw leerling helpt omgaan met zijn stoornis door hem kendo te leren. Brad Binder stelt (Binder, 2007) dat de meeste studies het eens zijn dat deelnemen aan een vechtsport “een afname in vijandigheid, woede en kwetsbaarheid cultiveert. Het leidt ook tot meer ontspannen en vriendelijkere individuen en bouwt zelfvertrouwen, eigenwaarde en zelfbeheersing.” Dit kan ten dele komen doordat “Aziatische vechtsporten traditioneel nadruk leggen op zelfkennis, zelfverbetering en zelfbeheersing. In tegenstelling tot westerse sporten, leren Aziatische vechtsporten doorgaans zelfverdediging, filosofie en ethiek. Zij hebben een hoog ceremonieel gehalte, benadrukken de integratie van lichaam en geest en hebben vaak een meditatief element.

Geeft een leerling aan dat hij een paniekaanval heeft, neem hem dan terzijde. Heel hem uit de les, maar laat hem niet alleen weg gaan. Laat hem tegen een muur zitten voor stabiliteit en praat wat met hem. Herinner hem aan zijn ademhalingsoefeningen. Bevestig dat hij gewoon veilig is en dat, hoewel het eng is, alles gewoon goed komt. Als er onlogische angstgedachten zijn, rationaliseer die dan. Een leuk, afleidend kendo-verhaal valt ook vaak in goede aarde.

Ter afsluiting zou ik voorstellen dat je deze leerlingen blijft uitdagen. Herhaalde blootstelling bouwt zelfvertrouwen, haal ze uit hun comfort zone en help ze zo hun grenzen te doorbreken. Het hebben van verantwoordelijkheden en het ervaren van fysieke uitputting kan beangstigend zijn, maar door dit vaker mee te maken in een veilige omgeving kunnen zij enorm groeien.

 

GAS in de dojo, voor leerlingen

Als je aan GAS, of een andere angststoornis leidt, dan denk ik dat je allereerst ondersteuning moet zoeken binnen de dojo. Informeer op zijn minst je leraren, omdat zij op de hoogte moeten zijn als er iets echt mis gaat. Als er een kans is dat je gaat hyperventileren of flauw vallen, dan moeten zij daar op voorbereid zijn.

Gebruik je medicatie, informeer je leraar dan. Hij hoeft niet persé te weten wat je slikt, maar hij moet op zijn minst de bijwerkingen kennen en weten van de toediening. Dit soort informatie is ook erg nuttig voor hulppersoneel, mocht er een noodgeval zijn.

Voel je je daar goed genoeg bij, neem dan op zijn minst één sempai in vertrouwen. Ze hoeven niet alles te weten, maar het is voor jou prettig als je met hem/haar kan praten als je angstgedachten ervaart. Zo heb je ook in de dojo een rationele, tweede partij die je gedachten kan kalmeren. Deze persoon kan je bij de les terzijde nemen, zodat je niet het gevoel hebt de hele les te verstoren.

Voorbereiding kan je veel gemoedsrust geven. Ik heb zelf altijd een EHBO setje bij me, met onder andere een zakje om te ademen (bij hyperventilatie) en een set dextrose tabletten. Als ik voor een toernooi of CT naar een nieuwe locatie moet, dan zoek ik ook eerst altijd op hoe het gebouw er uit ziet en waar de verschillende voorzieningen (toiletten, kleedkamers) zich bevinden.

Loop je nog niet bij een therapeut, dan kan ik CGT van harte aanraden. CGT kan je helpen je stoornis te begrijpen en het kan je hulpmiddelen geven om er mee om te gaan. Een angststoornis is niet, of maar moeilijk, te genezen, maar met de juiste vaardigheden ben je in staat je leven een stuk gemakkelijker te maken.

En laat me je feliciteren! Want je hebt je angsten in de ogen gekeken en je grenzen overschreden door bij een kendo dojo te gaan. Het is de zwaarste, luidste en stinkendste vechtsport die ik ken!

 

Voetnoten en referenties

1: DSM-IV-TR is een diagnostische en statistische handleiding voor geestelijke stoornissen. Het is een document van de American Psychiatric Association die poogt om de documentatie en classificatie van geestesziekten te standaardiseren.

 

Binder, B (1999,2007) “Psychosocial Benefits of the Martial Arts: Myth or Reality?”

Boeijen, C. van (2007) “Begeleide Zelfhulp – overwinnen van angstklachten”

Budden, P. (2007) “Buteyko and kendo: my personal experience, 2007”

Buyens, G. (2012) “Glossary related to BUDO and KOBUDO”

Krahulik, M. (2008) “Dear Diary”

Rowney, Hermida, Malone (2012) “Anxiety disorders”

Salmon, G. (2009) “Kigurai”

Sheppard, B (2010) “Teaching kendo to children” – Appeared in Kendo World 5.2

Sluyter, T. (2011) “Dissection of a panic attack”


Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift Kendo World, vol 6-4, 2013 (eBook en drukwerk beschikbaar op Amazon). Het artikel is hier opnieuw gepubliceerd met toestemming van de uitgever.

One Comment

  1. Dave Willis

    Excellent article. Just started my Kendo journey and can relate to a lot of this!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *